Zonder in het grote EV-debat partij te willen kiezen, het is af en toe toch wel eens leuk om nog een compleet nieuwe auto met een klassiekere aandrijving te zien verschijnen. Zoals de recent gelanceerde Kia K4, waarvan we dus met plezier de benzinemotor startten. Dat deden we al eens eerder met de hatchback, nu probeerden we ook de break. Of dus de Sportswagon, zoals Kia die graag noemt.
Ja hoor, ze maken ook bij Kia nog wat we zo stilaan als (heel) klassieke auto’s mogen zien. Tussen al het EV-geweld van de laatste tijd, met begin dit jaar ook nog de komst van de compacte EV2, wordt er ook nog altijd gescoord met modellen als de (beide) recent nog eens opgefriste Stonic en Sportage. De Ceed waren we wel al een beetje uit het oog verloren, maar die is nu vervangen door een alvast op papier weer een pak interessantere K4.

Nog wat grotere break
Om die Ceed en de hem nu vervangende K4 even te situeren, het zijn compacte middenklassers en dus voormalige en huidige concurrenten van onder meer de Opel Astra, Peugeot 308 en Volkswagen Golf. Of als je wil ook van de Audi A3, BMW 1-Reeks en Mercedes A-Klasse, al spelen de laatste drie qua imago toch nog altijd een beetje in een aparte categorie. Opmerkelijk is alvast dat de K4 met zijn 4,44 meter maar liefst 13 centimeter langer is dan de Ceed, hij is ook wat breder en heeft haast logischerwijze een grotere wielbasis. Onze Sportswagon-variant meet door de langere overhang achteraan zelfs 4,7 meter in de lengte, in de koffer kan je minstens 604 liter bagage kwijt. Met neergeklapte achterbank wordt dat 1.217 liter, in de MHEV of dus mild hybride K4 met 115 pk (zie verder) moet je wel behoorlijk wat laadruimte inleveren.
Echte wereldauto
Het betreft hier dan ook zoiets als een wereldauto, zo moet de in Mexico gebouwde K4 evengoed doorgaans nog altijd wat grotere modellen verkiezende Amerikaanse klanten verleiden. In Noord-Amerika is er zelfs al even keuze tussen wat ze daar dan een K4 en een K4 Hatchback noemen, bij ons wordt de tweede en sinds kort dus ook die Sportswagon of break aangeboden. Voor zo’n variant is niet overal in de wereld nog veel belangstelling, maar in Europa en zeker ook België worden er zelfs in SUV- en cross-over-tijden toch nog wel wat klanten voor gevonden.

Apart genoeg
Terwijl de Ceed met een sowieso altijd al eerder braaf design anno 2026 amper nog opviel, doet de K4 dat eigenlijk net wel. Hij is net iets minder apart dan de elektrische Kia’s, maar toch nog altijd apart genoeg om er uit te springen. Dat lukt zeker ook met het front van de auto, met alweer een heel fijne Star Map-lichtsignatuur die onder de motorkap en dus over de volledige breedte van de auto en zelfs tot een eindje in de flanken doorloopt. Links en rechts van het onderste radiatorrooster vallen ook nog twee luchthappers op, achteraan wordt er ook op de Sportswagon esthetisch gescoord met een flinke dakspoiler en alweer nogal opmerkelijke lichtblokken. De C-stijl heeft evengoed wel een aparte vorm, de designers hebben er heel stijlvol de grepen voor de achterste zijdeuren in verwerkt. De wielkasten ogen dan weer wel enigszins gespierd. Samengevat, dit is echt wel een mooie auto met zelfs wat hippe shooting brake-allures.
Veel handige knoppen
Bij Kia weten ze ook wel hoe ze een knap interieur moeten ontwerpen, dat van de K4 komt met een qua concept met dat van de EV-modellen vergelijkbaar dashboard. De 12,3 duim grote schermen voor de instrumenten en het echt wel gebruiksvriendelijke infotainment lijken een geheel te vormen, er zit al even (schijnbaar) naadloos ook nog een kleiner exemplaar voor de bediening van de airco tussen. Dat is helaas wel deels achter het stuurwiel verscholen. Er zijn evengoed nog behoorlijk wat klassiekere knoppen en je moet ook voor de bediening van de buitenspiegels en de ruitenwissers gelukkig niet via het aanraakscherm passeren. Echt waar, de toetsen voor de zetelverwarming en de ventilatie staan op de deurpanelen. Dat vinden wij, voor alle duidelijkheid, een prima locatie.

Uitzonderlijk veel beenruimte
In de GT Line zorgen onder meer zetels met extra steun (en leder in twee kleuren) en een uniek stuurwiel met drie spaken voor een sportieve toets, aan de buitenkant doen de zwarte spiegelkappen en dito zijschorten dat. Even opvallend als opmerkelijk is de nog vrij klassieke hendel voor de automaat, die is behoorlijk groot en staat onderaan de middenconsole. Een manuele bak kan ook nog, zij het dan wel enkel in combinatie met de driecilindermotor. Maar daarover later meer, we verheugen ons voor het starten van onze 1.6 T-GDi eerst nog even over de zitruimte. De grote buitenlengte en de lange wielbasis van 2.720 millimeter zorgen zowel voor- als achterin voor enorm veel plaats voor de benen, omwille van het lage dak is de hoofdruimte net iets minder royaal.
Geen echte spurter
De aandrijving van de K4 is dus nog wat we tegenwoordig klassiek noemen, ook al kun je de 1 liter grote en 115 pk sterke driecilinder met het oog op een iets lager verbruik wel als mild-hybrid met een 48V-batterij krijgen. Voor de 1.6 zonder dat soort elektrische assistentie is er keuze tussen vermogens van 150 en 180 pk, die motor komt standaard dus met een zeventrapsautomaat met dubbele koppeling. Zelfs de krachtigste variant van de viercilinder op benzine maakt van de K4 nog geen echte spurter, zo herinneren we ons nog van de test met die auto. Met slechts 150 pk wordt het dus nog net iets minder flitsend. Anno 2026 is een acceleratie van 0 naar 100 km/h in zo’n 9 seconden correct, maar ook niet veel meer dan dat. Hetzelfde geldt trouwens voor het verbruik. WLTP-gewijs bedraagt dat 7,1 liter per 100 kilometer, in het echte leven kan daar afhankelijk van je rijstijl toch nog (tot) zo’n half tot een volledig litertje bijkomen.

Wat twijfelende automaat
De reacties van de automaat zijn ook niet van die aard om tot een echt sportieve rijstijl uit te nodigen, bij een flinke dot gas duurt het wel even voor een naar een lagere versnelling wordt teruggekeerd. Het is duidelijk dat de K4 zelfs met zijn GT Line-pak een andere roeping heeft, comfortabel is de auto beslist wel. Het onderstel is ook echt op slechte wegen berekend en het rijgedrag laat zich als heel evenwichtig omschrijven. Met dank ook aan een vrij directe besturing en een mede in Duitsland door Europese specialisten aan onze wensen aangepaste ophanging. Die zou zeker nog wat extra vermogen aankunnen, maar verder dan 180 pk gaan ze bij Kia voorlopig nog niet.
Wat moet het kosten?
Het K4 Sportswagon-verhaal start met een sober uitgeruste en dan ook nogal toepasselijk Pure gedoopte variant van de 1.0 T-GDi voor 29.490 euro. Dat is 1.900 euro meer dan voor de K4-hatchback, een prijsverschil dat wel nog wat groter wordt naarmate je het hoger in het gamma gaat zoeken. Het maakt die basisversie hoe dan ook nog aanzienlijk goedkoper dan een niet eens krachtigere basis-Golf Variant, maar echt veel plezier valt er met zo’n auto misschien nog niet te beleven. Je moet het dan ook nog met stalen velgen met wieldoppen stellen. Voor de 1.6 van 150 pk begint het bij 37.990 euro en dan wel al meteen de Pace-uitrusting en de automaat, voor de echt wel luxueuze GT Line wordt dat 39.990 euro en voor een exemplaar met 180 pk (en sowieso de GT Line-aankleding en -uitrusting) 40.790 euro.
Conclusie
Als je een ruime en comfortabele middenklasser zoekt en het om wat voor reden dan ook echt nog geen elektrische en zelfs geen hybride auto moet of mag zijn, is de Kia K4 beslist wel het overwegen waard. Sportieve ambities heeft hij zelfs als GT Line duidelijk niet, maar die staan vermoedelijk – en ook wel terecht – toch niet meer op het verlanglijstje van de overgrote meerderheid van de beoogde klanten. Sturen doet de auto trouwens wel prima, moet het dan echt nog veel meer zijn? Indien wel, is het misschien toch beter wachten op de al beloofde ‘echte’ en dan nog een pak krachtigere hybride variant.
PLUS
- Mooie looks
- Knappe afwerking
- Veel zit- en laadruimte
- Knap infotainment
MIN
- Geen sportieve automaat
- ‘Ouderwets’ grote versnellingspook
- Niet echt zuinig









