Ik spendeerde een week met de BMW Z4 30i SDrive en dat maakte me behoorlijk triest, wetende dat het meteen ook de laatste keer zou zijn. BMW trekt namelijk een streep onder haar roadster-verhaal, de Z4 is zelfs al uit de configurator verdwenen. Daar kan je toch niet blij van worden?
Kijk, een roadster is bij BMW veel meer dan zomaar een cabriolet met twee zitplaatsen. Het verhaal gaat terug tot de jaren dertig, toen de 315/1 en vooral de legendarische 328 mee de sportieve reputatie van het nog jonge automerk vormgaven. In de jaren vijftig kwam daar de bloedmooie 507 bij, een auto die commercieel allerminst een voltreffer was maar die achteraf uitgroeide tot een van de meest begeerde BMW’s ooit.

Daarna werd het lange tijd stil, tot BMW in 1987 de nu al legendarische Z1 presenteerde met techniek uit de 3-Reeks. Een knotsgekke tweezitter met kunststof koetswerkpanelen en deuren die elektrisch in de dorpels verdwenen, als ging het over een ingebouwde goocheltruc BMW bouwde er uiteindelijk 8.000, waarna de veel conventionelere en bravere Z3 het concept midden jaren negentig naar de grote massa bracht. De Z3 werd een gigantisch succes en vormde het echte bewijs dat een relatief compacte BMW-roadster commercieel kon werken. Maar ach, het waren andere tijden.

Tussendoor was er ook nog de bloedmooie Z8, een schitterende moderne interpretatie van de 507 met een dikke V8 voorin. Maar die speelde met zijn hoge prijs en beperkte productie in een andere klasse. De echte opvolger van de Z3 verscheen in 2002 en kreeg de naam die we vandaag nog kennen: Z4.
Drie generaties zouden er uiteindelijk komen. De eerste Z4, de E85, was nog een vrij rauwe roadster met stoffen dak. Zijn opvolger, de E89 uit 2009, koos voor een elektrisch inklapbare metalen hardtop en schoof daarmee wat meer richting comfortabele GT. In 2018 keerde BMW met de huidige G29 terug naar het stoffen dak en naar een uitgesproken sportief karakter. En met succes, want BMW stelde zelf dat de Z4 binnen zijn krimpende segment vanaf de lancering de best verkochte auto van zijn klasse was en zijn marktaandeel zelfs wist te vergroten. Maar daar zit natuurlijk meteen het probleem. Je kunt de populairste vis in een vijver zijn, als die vijver langzaam opdroogt, heb je daar uiteindelijk weinig aan.
En dus valt nu het doek. BMW kondigde recent de Final Edition aan als afscheid van de Z4 en bevestigde daarmee ook het einde van de productie. Een rechtstreekse opvolger is er niet aangekondigd.

Dat is jammer. Heel erg jammer zelfs. Mijn week met de Z4 maakte nog eens duidelijk waarom. Niet omdat deze sDrive30i de allerbeste Z4 is die BMW ooit heeft gebouwd. Daarvoor zou ik zonder veel nadenken naar de M40i met zijn zes-in-lijn grijpen. Wel omdat zelfs deze viercilinder nog iets biedt wat stilaan uit het autolandschap verdwijnt: autorijden met onversneden betrokkenheid.
Je zit laag. Echt laag. Met je achterwerk vlak boven het asfalt, een lange motorkap voor je neus en de achteras bijna onder je stoel. De Z4 voelt daardoor onmiddellijk speels en wendbaar aan. Het is genieten met de grote G.

Eén misverstand kunnen we met het vertrek van de Z4 alvast uit de wereld helpen. In tegenstelling tot wat het 30 SDrive typeplaatje doet vermoeden zit er geen drieliter onder de lange motorkap. Ooit kon je bij BMW vrij aardig uit de cijfers op de kofferklep afleiden wat er onder die kap lag. 320i? Tweeliter. 330i? Drieliter. 530i? Jawel, drie liter. Vandaag is dat systeem vooral geschikt om discussies op café uit te lokken. De Z4 sDrive30i waarmee ik reed heeft een 1.998 cc grote viercilinder turbomotor. Hij levert 258 pk en 400 Nm. Wie daadwerkelijk drie liter en zes cilinders wil, moet naar de Z4 M40i kijken. Misschien had BMW deze auto dus beter sDrive20i-plus-plus genoemd, al bekt dat natuurlijk wat minder lekker.

Nee, de 2.0 viercilinder van de sDrive30i produceert niet het kippenvel van BMW’s zescilinder, maar hij klinkt nog altijd als een verbrandingsmotor die er zin in heeft. Dak naar beneden, Sport Plus-modus inschakelen en de motor wat hoger in de toeren jagen: het blijft een mechanische ervaring die je in een elektrische auto simpelweg niet krijgt. Noem het gerust achterhaald of weinig efficiënt. Het kan me in een auto als deze eerlijk gezegd weinig schelen. Hier is het puur genieten, meer nog als je een laatste exemplaar met manuele versnellingsbak op de kop kon tikken.
De reden voor het afscheid is uiteindelijk weinig romantisch. Roadsters en cabriolets zijn wereldwijd een niche geworden en die niche wordt almaar kleiner. De consument wil SUV’s en crossovers, liefst met vier of vijf deuren, een binnenruimte waarmee je kroost en bagage kan vervoeren en een hoge zitpositie. Een tweezitter die een groot deel van het jaar met gesloten dak wordt gebruikt en nauwelijks praktische voordelen biedt, is objectief moeilijk te verdedigen.
Daar komt de elektrificatie bij. Autofabrikanten moeten miljarden investeren in nieuwe elektrische platformen, batterijen, software en productiecapaciteit. Dan wordt het steeds moeilijker om ontwikkelingsbudget vrij te maken voor een model waarvan je vooraf weet dat de volumes beperkt zullen blijven. Dat probleem treft trouwens niet alleen BMW: het aanbod aan betaalbare cabriolets en roadsters is de voorbije twintig jaar dramatisch gekrompen.
BMW zelf laat weinig twijfel bestaan over waar het geld dan wel naartoe gaat. De nieuwe Neue Klasse staat centraal in de toekomststrategie en deze maand startte in München de serieproductie van de volledig elektrische BMW i3. En jawel, het heeft er alle schijn van dat die ook als vierzits cabriolet op de markt zal komen. Klink leuk, maar dat wordt er dus wel eentje die niet van vroem vroem doet.

En daarom maakte die laatste week met de BMW Z4 me dus triest. Niet omdat de Z4 perfect is. Niet omdat iedereen er eentje zou moeten kopen. En al helemaal niet omdat de auto-industrie moet doen alsof elektrificatie niet bestaat. Wel omdat er opnieuw een stukje diversiteit en vrijheid van kiezen verdwijnt.
Dus BMW, doe ons één plezier. Laat dit niet het definitieve einde zijn. Wacht desnoods vijf jaar. Of tien. Maak er een exclusief project van. Bouw er 5.000 in plaats van 50.000. Vraag er desnoods een belachelijke prijs voor en compenseer de uitstoot met een bos ter grootte van Beieren. Maar zet ooit nog eens een lange motorkap voor twee blijgezinde mensen, leg daaronder een dikke zes-in-lijn, stuur al dat vermogen naar de achterwielen en geef ons een pook waarmee we zelf de versnellingen mogen kiezen.
Is dat nu echt teveel gevraagd?










